Doorgaan naar hoofdcontent

Panorama 13 – de eerste week


Geweldig idee, natuurlijk. Je nodigt veertien kunstenaars uit, van divers pluimage, geeft ze een wand van honderd vierkante meter in een openbare tentoonstellingsruimte en koppelt daaraan de opdracht om binnen twee weken gezamenlijk een panorama op te leveren. Maakt niet uit wat, de opdracht is verder helemaal vrij. De enige restrictie: je mag niet ongevraagd over het werk van een ander heen schilderen.
Dit vindt nu allemaal plaats in het Kennemer Theater in Beverwijk, in de mooie ronde tentoonstellingsruimte. De ronde ruimte leent zich ook heel vanzelfsprekend  voor de opdracht: een panorama. De bouwploeg van Young Art heeft rondom een dertigtal houten panelen neergezet en witgeschilderd: asjeblieft schilders, en nu aan het werk.



Dan komt natuurlijk de vraag: wat gaat er gebeuren? Alles is vrij. Het bestuur van KeK heeft natuurlijk wel mooi aangekondigd, dat alles ‘losjes’ is geïnspireerd op het Parijs van 1919 met zijn Salons en jury’s, die de beste schilders en schilderijen van die tijd verkozen en tentoonstelden. Alleen, toen werden de werken nog ingebracht, hier bij KeK wordt het live geschilderd. Zeven dagen lang, uitgesmeerd over twee weken. Onderliggende vragen vallen genoeg.

Is het een wedstrijd wie de beste schilder is van deze veertien? Hebben we te maken met twee of drie, vier kampen? Zoeken verwante schilders elkaar op, is het figuratief tegenover abstract, verhalend tegenover beschouwend, jong tegenover oud?

Aan het begin van week 1, toen alles nog in maagdelijk wit op de tentoonstellingspanelen blonk, hadden de meeste kunstenaars nog geen idee. Ja, leuk om mee te doen, maar lang niet iedereen kende elkaar.

‘Ja, van die jonkies heb ik nog niet zoveel gezien. Wie zijn dat eigenlijk?’. ‘Ik weet nog niet zo goed wat die ouwe mannen maken, Ik ken hun werk nog niet zo. Moet ik nog even opzoeken’.Ook een veelgehoorde opmerking, van jong en oud:’ Ik ga er blanco in.’

Kunst beleven. ‘Beleven’ is hét woord van deze tijd. Zelfs het nieuwe Rijks Museum profileert zich in de pr naar de opening als een museum waar de schilderijen ‘beleefd’ kunnen worden. We kijken niet meer als buitenstaander, we zijn onderdeel van het geheel en mogen vooral geen buitenstaander blijven. Alles is beleving. We mogen het allemaal meemaken.  Het gaat om het proces. Of zoals KeK stelt: “Das Ziel ist Ernst, der Weg humorvoll”. En met Ziel bedoelen ze natuurlijk ‘doel’, niet ziel.

Week 1, dag 0, de aftrap
Ruimte maken, samenwerken, autonoom of delen.
Niet iedereen kent elkaar. Voorafgaand heeft KeK op woensdagavond een avondmaal bereid voor de kunstenaars. Aan een lange, gedekte tafel hebben de kunstenaars zich geschaard, veertien in totaal. Een ieder pakt en schikt zich in zijn rol. Aan de kopse kanten zit het bestuur van KeK, verantwoordelijk voor de selectie van de kunstenaars en de maaltijd, aan de andere kant de bouwploeg van Young Art, die de tentoonstellingsruimte heeft omgetimmerd tot een veertiensmansatelier, inclusief werkvloer. Alvorens de witte panelen van onder tot boven onder handen worden genomen spreken de kunstenaars over de opzet van het totaalwerk. Eerst zachtjes en zich bijna verontschuldigend, allengs steeds luider en eigenwijzer.  ‘Ik wil een eigen paneel en ik wil mijn eigen werk maken’. ‘Ja, dan kan je net zo goed het paneel mee naar huis nemen en over twee weken inleveren’. Bij de aftrap is al snel duidelijk dat men het over werk en werkwijze nog lang niet eens is. Dan staat een van de kunstenaars (in rood overall) opeens op en doet een poging tot consensus: ‘kijk, ik heb hier een werktekening. Als we het eens zus en zo aanpakken dan kijken we volgende week in welke staat we verkeren en hoe we dat dan tot in de finesses kunnen uitwerken’. Er wordt instemmend geknikt maar nauwelijks geluisterd. Het gros van de kunstenaars herhaalt eerdere standpunten. Uiteindelijke conclusie: we gaan morgen beginnen en dan zien we wel hoe het loopt.

Week 1, dag 1
Als ik om een uur of drie binnenkom is de eerste groep al volop aan de slag. Rechts een kleurenexplosie van Dirck Nab, daarnaast het Noorderlicht van Ernie Gerrits. Twee stukken die zich al met elkaar verzoend lijken te hebben. Aan de andere kant het zich langzaam ontvouwende landschap van Rob van der Schoor. Even verderop, in grote vlakken, het anekdotische werk van Marije Gertenbach en Evelien Andree Wiltens. Daarnaast brengt Josje Peters langzaam maar trefzeker de eerste diagonale patronen aan waarop of waarover haar werk komt te staan. Marije en Evelien nodigen deze eerste dag een naaktmodel uit om te poseren.

Arno Bleeker saust het wit van het paneel in een stemmig grijs waarover hij met diepzwart een intrigerend schimmenspel tekent. Aan het andere eind heeft Frits Klaver zijn panelen geel gekleurd. In dezelfde tinten schetst Suzanne Slings fragiel een doorkijkje in de kamer van haar oma: ‘Zo zat ze er altijd bij als ik bij haar op bezoek was geweest. Altijd ditzelfde beeld.’ Het panorama krijgt zijn contouren. Links het verhaal, rechts de verf.

Week 1, dag 2
Frank Kraaijeveld heeft zich inmiddels in het kleurgeweld gemengd, pal tussen Ernie Gerrits en Evelien en Marije. Naast Dirck Nab heeft Jan Kroeze een paarse meteoriet of iets dergelijks  toegevoegd aan de kleurexplosie. Alles wordt op rechts keurig in evenwicht gehouden door het landschap van Rob van der Schoor: een stuk land van waaruit de rest van het kleurgeweld zich lijkt te ontrollen. Op links is Erik Meijer ook voortvarend aan de  slag gegaan met een Keemansiaans zeegezicht: grijs, donker, tikkeltje onheilspellend, veel diepte, wat wonderwel matcht met het werk van Arno Bleeker en het roodzwart van Josje Peeters. Evelien en Marije hebben inmiddels voor de derde keer hun tafereel herschilderd.

Week 1, dag 3
‘Braaf hoor. Iedereen blijft braaf op zijn eigen stukje schilderen.’ Tjarko van der Pol lijkt ietwat geïrriteerd over dit schilderen binnen de lijnen. Hij wil meer: buiten de eigen ruimte stappen, het duel aangaan. Met zijn grieperige lijf heeft hij een paar plekken op de panelen van anderen geclaimd, waar hij met tape en witte verf zijn eigen verbindingen wil gaan aanleggen. ‘Het moet wel ergens een geheel worden’.  Intussen krijgt Dirck Nab wat blauw van Rob van der Schoor. Marije Gertenbach schildert de oma van Suzanne Slings. Josje Peters duwt het tafereel van Marije en Evelien wat meer op z’n plaats. Frits Klaver begint met schuren en plamuren. Het geheel is nu al een genot om naar te kijken. Maar hoe houdt iedereen zich nog een week staande? De piketpaaltjes zijn geslagen. De strijd kan beginnen.


 (Voor de kunstenaars en belevers een inspirerende muziek-battle voor tijdens het schilderen:)




Volgende week meer.


Reacties

Populaire posts van deze blog

Over een kip en twee fotografen

Ik begin met een anekdote over een kip,
en de clou komt later wel, op het eind.
Het verhaal van de kip in New York gaat als volgt. Een groep antropologen legde leven en welzijn vast van een papoeastam in primitief Nieuw-Guinea. De primitieven hadden nog nooit kennis gemaakt met de moderne wereld, geen vliegtuig gezien, geen auto, tv, radio, niets van dat al wat ons leven zo superieur maakt. De wetenschappers dachten dat het confronterend zou zijn de primitieven kennis te laten maken met die wereld van wolkenkrabbers, metrolijnen, fastfood en techniek. Er werd een film vertoond over het jachtige leven in New York. Na afloop werd aan de stamleden gevraagd wat ze allemaal gezien hadden. Een kip, was het antwoord. Temidden van al de moderne overvloed was alles wat hen was opgevallen iets wat ze herkenden: een kip. Een fraaie illustratie van hoe ons kijken in elkaar steekt. We zien wat we kennen. Wat we niet kennen, zien we niet. 

Op naar de laatste tentoonstelling bij KeK. De dubbeltentoons…

De ogen van een ander

‘Had ik maar iemand om van te houden…’

‘Had ik maar iemand om van te houden, twee zachte armen om me heen.’ Het is niet zo dat ik me sneu voel of zo, maar sinds mijn bezoek aan de tentoonstelling van Josje Peters dreunt dat deuntje in mijn hoofd. Hoe dat komt is simpel. De tentoonstelling bestaat uit niet  meer dan vijf monumentale schilderijenen van vier armen en niet minder dan dat daarbovenop nog twee grote doeken. Gul geschilderd. Op een woensdagochtend vroeg toog ik naar het Centrum van de Kunsten voor de tentoonstelling van Josje Peters. Ik had toch niks anders te doen. Bij binnenkomst was de tentoonstellingsruimte nog in een aangenaam duister gehuld. Op de vijf monumentale werken was slechts een enkel spotje gericht, wat wonderlijk genoeg de zeggingskracht van de schilderijen vergrootte. Toen ik twee rondjes had gelopen kwam de directeur van het Kennemer Theater zijn kantoor uitgelopen. ‘Ik zal een lichtje voor je maken’ zei hij vriendelijk en floepte de grote  lichten aan. De schilderijen zag je beter, maar het my…