Doorgaan naar hoofdcontent

Een kleine handleiding bij Piet Vos


Donderdagmiddag voor de opening van zijn tentoonstelling ging ik even langs bij het Kennemer Theater en trof daar een onbeschrijfbaar zootje van bouten, tangen, latten, plastic zakken, aarde, staal, draad, plaat, verf, hamers, boormachines, gips en hout. En daartussen Piet Vos. Zoals gewoonlijk tot op het laatste moment bezig met de inrichting van zijn installaties. Zijn wereld, zijn ideeënwereld.

Piet Vos. Een ernstig man. Piet is zo gecompliceerd en tegelijkertijd zo eenduidig dat er een verhaal à la Tsjechov voor nodig is om zijn worsteling met de wereld in de juiste proporties te vatten. 

Jaren geleden schaakte ik elke woensdagavond na de tekenclub met Piet een potje en liet hem meestal winnen. Daar was hij blij mee. Een schijnbaar intellectueel gevecht met hem voeren over de orde der dingen (het schaakspel), dat doordenken en dan antwoorden op de slimmigheden van de ander, en dat met een stuk of vier, vijf, zes bier in je mik, en dan nog winnen ook. Op de vierkante meter was Piet de koning. Daarom ook was het royale gebaar van KeK (Stichting Tentoonstellingen) zo toepasselijk om hem tijdens de opening te kronen met een vilten hoed, als de Joseph Beuys van de IJmond. Iemand die de wereld in een andere context plaatst. Schaak en schaakmat.
Omdat je van Piet Vos niet wilt winnen (in de zin van je gelijk halen) , besloot ik deze keer, net als bij het schaken, de gedachtegang te volgen van deze ex-gereformeerde einzelgänger uit Heemskerk, die zichzelf nog steeds een Warmenhuizer waant. Of iemand van Texel. Of iets anders heel anders. Maakt niet uit. Maar in ieder geval geen gereformeerde gepredestineerde getormenteerde kunstenaar. Daarvoor is Piet te speels. 

Zijn wereld heeft hij neergezet in een aantal installaties. Installaties. Ik hou van schilderijen, van tekeningen. Met beelden heb ik al wat meer moeite, laat staan met video en ruimtelijk werk. Niet dat het me afkeer inboezemt. Ik heb beeldhouwers onder mijn beste vrienden.

Maar ja. Hoe zal ik het zeggen.

Een schilderij is tweedimensionaal. Je staat ervoor en kijkt ernaar. De afbeelding neem je tot je en verwerk je aan de hand van je eigen werkelijkheid tot een nieuwe wereld. Je kijkt en vergelijkt: zo zie ik het ook, zo heb ik het nog nooit eerder gezien, dat soort gedachtes. 

Bij beelden, maar vooral bij ‘installaties’, word je op een andere manier uitgenodigd de wereld van de kunstenaar in te stappen. Letterlijk. Je moet de installatie in. Beleven, meemaken, aanraken. Dat is wat Piet Vos wil met zijn werk. Net als bij het schaken: je moet het hoofd van de ander in. Meteen met zijn eerste werk nodigt hij je uit: dit was mijn verlangen ooit, stap binnen, maak mee wat ik meemaakte en nooit heb afgemaakt en nu in deze installatie wel. Titel van het werk: ‘Nostalgie van het verlangen, hetgeen ik graag had willen doen maar nooit gedaan heb’. Daar hebben we hem. Het gaat over de jeugd van de kunstenaar en iets wat daar is blijven liggen en waar hij door dit kunstwerk uiting aan heeft willen geven.


Oké, daar gaan we. Wat zien we en wat beleven we? Het eerste dat opvalt is een video van een grijzende man die ernstig in een bootje over het water glijdt. De video staat op drie veilingkistjes uit de kop van Noord-Holland, een jaren vijftig schoolbank ervoor, klompen ernaast, een tekening op gips, een luchtfoto, een roeiboot waarvan de bodem scherp is weggeslepen. Wat moeten we hiermee? Wat roept dit op? Kennelijk wil de kunstenaar ons iets meegeven van wat hij heeft meegemaakt. Ik heb het nagevraagd bij de kunstenaar, op die donderdagmiddag, en het is een interessant verhaal. Maar je moet het wel weten. En dan is het een heel mooi verhaal. Als je het verhaal niet weet, blijf je zitten in een bouwsel met een boot , een video, een luchtfoto en een schoolbank. Prikkelend, de losse elementen van een verhaal die wel een sfeer suggereren. Voor het geheel moet je de kunstenaar even bellen (vertelt-ie graag over trouwens).

Hetzelfde geldt voor zijn andere installaties. Stuk voor stuk spannende bouwwerken, vervreemdend neergezet in de context van een zakelijke omgeving van het Kennemer Theater. Losgeweekt van de natuurlijke habitat: het strand van Texel, de achtertuin in Heemskerk, de zorgboerderij. Piet Vos gaat associatief te werk. Aan de hand van een inval (de hazen), een idee (nostalgie van het verlangen), een levenslange worsteling (de troon) groepeert hij beelden en plaatst ze in een Piet-Voskader. Het verhaal erbij is meer dan de moeite waard: het verhaal over het strandhuis, zijn verknochtheid met Texel, zijn voorliefde voor speelsheid en zijn kluistering aan ernst (en hoe daar van af te raken). Het zit in al zijn werken: het leven is geen lolletje, er is meer tussen hemel en aarde. Vertrouw niemand, en zeker niet diegenen die het voor het zeggen hebben.
Over twee werken moet ik toch wat meer zeggen. Op de eerste plaats het laatste werk: Do ud des (Ik geef en hoop te krijgen). In de woorden van Piet Vos: de wrakke trap naar de hemel die de mens zichzelf bouwt, zichzelf troont en waar de mens zich God waant. Dit thema is in al zijn hevigheid kenmerkend voor Piet Vos. Zijn afrekening met de mens die zich God waant, of denkt uit naam van God te spreken en te oordelen en daar zijn medemens mee beschadigt. Mooi idee en kenmerkend voor deze egocentrische tijd waar iedereen die denkt succes te hebben het in zijn bolle hoofd haalt af te rekenen met eenieder die onder hem of haar aan de wankele trap staat.


Piet Vos verbeeldt dit letterlijk: een wankele trap met een troon, met daarop een domme tuinkabouter. Zelfgenoegzaam, dom en tot al het lelijks in staat waar een succesvol mens denkt recht op te hebben. Mooi idee van Piet. Alleen: hij laat zijn eigen demonen erop los, in plaats van dat hij de toeschouwer de ruimte geeft zijn eigen wereld erop los te laten. En wat zien we dan: de kabouter (de succesvolle zelfgenoegzame dommerik) wordt in de vertaling van Piet Vos een gelovige gezagsdrager, met kardinaalsmuts en katholieke jurken. De geestelijkheid als personificatie van het kwaad dat mensen andere mensen aanrichten . Jammer, denk ik dan: je vult teveel in, Piet Vos! Dat invullen kun je aan de toeschouwer overlaten. Iedereen heeft andere demonen. Dat kan de clerus zijn, maar ook de politiek, de manager, de schreeuwlelijk die je je leven zuur maakt, die ‘vriend’ van je beste vriendin. Iedereen heeft zijn eigen vijanden. In dit geval vult Piet het voor ons in en ontneemt ons daarmee de mogelijkheid om zelf het beeld af te maken. Hij neemt het je letterlijk uit handen.

Dan het tweede: de paalhazen. Wat mij betreft een regelrechte hit. Dit werk, twee boksende hazen oogt speels, licht, is aantrekkelijk, is direct. Het werk is zo vanzelfsprekend dat de kunstenaar zichzelf erover verbaast. Het is hem naar zijn zeggen zo makkelijk afgegaan dat hij daarom denkt dat het ook niks kan voorstellen. Een geintje. Een tussendoortje. Iets wat kwam aanwaaien.



Nee Piet Vos, dit werk is juist heel kenmerkend voor alles waar je voor staat. Je ziet de hazen, je loopt er meteen heen, je wilt het aanraken, je wilt ze laten bewegen, je wilt het meebeleven. Het is speels en als je het aanraakt wordt het nog leuker, er zit een mooi verhaal achter (een treinreis naar Duitsland), maar het beeld zelf, de boksende hazen met omhoogverend geslachtsdeel vertellen ook een eigen verhaal. Tegelijk is er de vrouwtjeshaas die er niet is maar op de achtergrond de essentie van het verhaal vertolkt. Er zijn en er niet zijn. Dit werk is kenmerkend voor Piet Vos. Maar ja, dat moet je tegen Piet Vos weer niet te hard zeggen: alles wat makkelijk lijkt, is voor hem verdacht. Het moet moeilijk. Dat ondervond ik vroeger al, toen ik met hem schaakte. Een potje Piet Vos kostte ettelijke uren en veel bier.

Over de verhalen bij de installaties gesproken. Je kunt Piet Vos altijd bellen, als je daar nog kennis van wilt nemen. Vrijdag na de opening trof ik hem weer, voor het plein van het Kennemer theater: ‘Heb je je verhaal al af?’ vroeg hij mij. ‘Heb jij je tentoonstelling nog niet af?’ antwoordde ik. “Nee hoor, grijnsde Piet, “ik heb zojuist tien vrouwen een rondleiding gegeven.” Zo werkt dat dus. Piet Vos. Charmeur.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Over een kip en twee fotografen

Ik begin met een anekdote over een kip,
en de clou komt later wel, op het eind.
Het verhaal van de kip in New York gaat als volgt. Een groep antropologen legde leven en welzijn vast van een papoeastam in primitief Nieuw-Guinea. De primitieven hadden nog nooit kennis gemaakt met de moderne wereld, geen vliegtuig gezien, geen auto, tv, radio, niets van dat al wat ons leven zo superieur maakt. De wetenschappers dachten dat het confronterend zou zijn de primitieven kennis te laten maken met die wereld van wolkenkrabbers, metrolijnen, fastfood en techniek. Er werd een film vertoond over het jachtige leven in New York. Na afloop werd aan de stamleden gevraagd wat ze allemaal gezien hadden. Een kip, was het antwoord. Temidden van al de moderne overvloed was alles wat hen was opgevallen iets wat ze herkenden: een kip. Een fraaie illustratie van hoe ons kijken in elkaar steekt. We zien wat we kennen. Wat we niet kennen, zien we niet. 

Op naar de laatste tentoonstelling bij KeK. De dubbeltentoons…

De ogen van een ander

‘Had ik maar iemand om van te houden…’

‘Had ik maar iemand om van te houden, twee zachte armen om me heen.’ Het is niet zo dat ik me sneu voel of zo, maar sinds mijn bezoek aan de tentoonstelling van Josje Peters dreunt dat deuntje in mijn hoofd. Hoe dat komt is simpel. De tentoonstelling bestaat uit niet  meer dan vijf monumentale schilderijenen van vier armen en niet minder dan dat daarbovenop nog twee grote doeken. Gul geschilderd. Op een woensdagochtend vroeg toog ik naar het Centrum van de Kunsten voor de tentoonstelling van Josje Peters. Ik had toch niks anders te doen. Bij binnenkomst was de tentoonstellingsruimte nog in een aangenaam duister gehuld. Op de vijf monumentale werken was slechts een enkel spotje gericht, wat wonderlijk genoeg de zeggingskracht van de schilderijen vergrootte. Toen ik twee rondjes had gelopen kwam de directeur van het Kennemer Theater zijn kantoor uitgelopen. ‘Ik zal een lichtje voor je maken’ zei hij vriendelijk en floepte de grote  lichten aan. De schilderijen zag je beter, maar het my…