Doorgaan naar hoofdcontent

Make war

De septembertentoonstelling in het Centrum voor de Kunsten is een vrolijk geheel van frisse heldere afbeeldingen met één overkoepelend thema: oorlog. Of strijd, of vechten. De verantwoordelijk kunstenaar is Jan Willem Campmans (what’s in a name?).

Jan Willem Campmans kennen we al van een eerdere bijdrage aan het Young Art Festival, waar hij met behulp van ‘drawing tablets’en beamers in het donkere park Westerhout tekeningen van licht maakte op bomen, struiken en al wat voor handen was. Samen met de bezoekers. Een bont geheel van licht in de duisternis. Deze zogenaamde light-up voerde Jan Willem Campmans ook op tijdens de opening van zijn tentoonstelling in het Kennemer Theater. Bezoekers mochten plaatsnemen tegen een kale wand en Campmans maakte een felle lichttekening van en op de persoon in kwestie.



Een projectie van het beeld op de werkelijkheid, zullen we maar zeggen. ‘Op het eerste gezicht’ was daarom ook misschien een mooie titel geweest voor deze tentoonstelling. Als de bezoeker opstaat, blijft de afbeelding geprojecteerd op de achterwand. De kunstenaar maakte er een foto van en op de website van Lightup (even googlen) is al dit fraais weer te zien. Het spannendst echter vond ik het moment dat de bezoeker nog  stilzit met de tekening van Campmans op hem geprojecteerd: beeld op werkelijkheid. 
Als dan het model is opgestaan, blijft alleen het beeld nog over. En dan rijst subiet de vraag: waar kijk je naar: naar het beeld of de werkelijkheid?

Dat is sowieso de kernvraag bij al het beeldend werk, bij alle kunstvormen eigenlijk. Waar kijk je naar? Naar de werkelijkheid of een beeld van de werkelijkheid? Op al de hier tentoongestelde werken speelt Jan Willem Campmans bewust en onbewust met dat  thema.

Campmans heeft ervoor gekozen om ons op deze expositie twee uiteenlopende stijlen van zijn werk te laten zien: grote gestileerde portretten en bomvolle slagvelden. Het thema is duidelijk: oorlog. Op de portretten zien we frisse jonge mensen tegen een achtergrond die in alle gevallen iets met geweld uit te staan heeft. Een salvo, een saluut, een gevallene. Maar alles in dezelfde frisse heldere en optimistische stijl. Bij deze doeken krijg je het idee van de idealist die blind van vertrouwen de strijd aangaat met de gevestigde orde. Strijdend voor een betere wereld legt hij het loodje. Voorbeelden ten over in de geschiedenis van dit soort trouw aan een nieuwe toekomst: de honderdduizenden uit de Eerste Wereldoorlog die zingend de slagvelden betraden, de jongens die vochten tegen het fascisme in de Spaanse Burgeroorlog en nog vers in het geheugen de jongeren die vrijwillig zich aanmeldden om te vechten in de Syrische burgeroorlog. Idealen zijn altijd fris. Ze leiden niet altijd naar het doel dat je voor ogen stond. Kijk maar eens in de eigen ziel.




De andere doeken, de slagvelden, zijn even onbevangen geschilderd. De energie spat ervan af. Alsof een joch van twaalf met zijn vriendje op een groot vel papier oorlogje heeft mogen spelen en het hele arsenaal van oorlogstuig ongefilterd op het papier heeft geslingerd. Geen centimeter op deze grote doeken is onbenut gelaten om de volle hevigheid van de oorlog op ons af te vuren. Als een schilderij geluid kon maken zouden deze doeken een hels kabaal geven. Hier beleef je de fysieke opwinding die kleeft aan geweld, de geilheid van geweld om het wat platter te zeggen, of netter geformuleerd, de testosteron die gepaard gaat met uitingen van agressie.



                                                   
Wat bezielt Jan Willem Campmans om dit werk te maken?  Wat is zijn drijfveer? Wat ligt erachter of waar staat het voor?
Jan Willem Campmans weet de energie te treffen die hangt aan liefde en geweld. Zonder opdringerig te zijn schetst hij een trefzeker beeld van de kern van oorlog, of van strijd. Op het eerste gezicht vrolijk en vol energie, dynamisch en opwindend, vervuld nog van alles en nog wat. Het strijdperk zelf is onomkeerbaar vernietigend en uiteindelijk blijft alleen een lege plek over. De contouren van wat ooit was. Gevallen idealen.

Net als bij de light-ups: als het model verdwenen is hebben we alleen de contouren van de tekening nog. Als de strijd geleverd is, staan we uiteindelijk met lege handen.


Make War. Niets rest.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Over een kip en twee fotografen

Ik begin met een anekdote over een kip,
en de clou komt later wel, op het eind.
Het verhaal van de kip in New York gaat als volgt. Een groep antropologen legde leven en welzijn vast van een papoeastam in primitief Nieuw-Guinea. De primitieven hadden nog nooit kennis gemaakt met de moderne wereld, geen vliegtuig gezien, geen auto, tv, radio, niets van dat al wat ons leven zo superieur maakt. De wetenschappers dachten dat het confronterend zou zijn de primitieven kennis te laten maken met die wereld van wolkenkrabbers, metrolijnen, fastfood en techniek. Er werd een film vertoond over het jachtige leven in New York. Na afloop werd aan de stamleden gevraagd wat ze allemaal gezien hadden. Een kip, was het antwoord. Temidden van al de moderne overvloed was alles wat hen was opgevallen iets wat ze herkenden: een kip. Een fraaie illustratie van hoe ons kijken in elkaar steekt. We zien wat we kennen. Wat we niet kennen, zien we niet. 

Op naar de laatste tentoonstelling bij KeK. De dubbeltentoons…

De ogen van een ander

‘Had ik maar iemand om van te houden…’

‘Had ik maar iemand om van te houden, twee zachte armen om me heen.’ Het is niet zo dat ik me sneu voel of zo, maar sinds mijn bezoek aan de tentoonstelling van Josje Peters dreunt dat deuntje in mijn hoofd. Hoe dat komt is simpel. De tentoonstelling bestaat uit niet  meer dan vijf monumentale schilderijenen van vier armen en niet minder dan dat daarbovenop nog twee grote doeken. Gul geschilderd. Op een woensdagochtend vroeg toog ik naar het Centrum van de Kunsten voor de tentoonstelling van Josje Peters. Ik had toch niks anders te doen. Bij binnenkomst was de tentoonstellingsruimte nog in een aangenaam duister gehuld. Op de vijf monumentale werken was slechts een enkel spotje gericht, wat wonderlijk genoeg de zeggingskracht van de schilderijen vergrootte. Toen ik twee rondjes had gelopen kwam de directeur van het Kennemer Theater zijn kantoor uitgelopen. ‘Ik zal een lichtje voor je maken’ zei hij vriendelijk en floepte de grote  lichten aan. De schilderijen zag je beter, maar het my…